24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar
0341 - 351235
Hyperthyreoïdie-schildklierprobleem bij de kat

Hyperthyreoïdie-schildklierprobleem bij de kat

De schildklier bestaat uit 2 lobben, die aan beide kanten naast de luchtpijp in het keelgebied liggen. Een voorname taak is het produceren van schildklierhormoon. Dat noemen we het T4 hormoon. Dit hormoon regelt de snelheid van de stofwisseling of ook wel metabolisme genoemd. En zo dus de snelheid van het verbruik van de voedingsstoffen en energie.

Bij katten met schildklierproblemen zien we over het algemeen een overproductie van het schildklierhormoon. Dat noemen we hyperthyreoïdie. De schildklier werkt te snel en heeft daarmee een snelle stofwisseling. Hyperthyreoïdie komt veelal voor bij oudere katten. Het is de meest voorkomende stofwisselingsaandoening bij de kat.

Hoe ontstaat een schildklierprobleem bij de kat?

De overproductie van het schildklierhormoon komt in groot percentage van de gevallen door een goedaardige tumor, en slechts in een heel klein deel van de gevallen door een kwaadaardige tumor. De onderproductie van het hormoon komt zelden voor bij katten. Echter zien we dit wel bij honden. Vaak zijn bij dit probleem beide lobben van de schildklier hyperactief.

Welke klachten krijgt een kat met een schildklierprobleem?

Belangrijkste symptomen van een schildklierprobleem zijn:

  • Afvallen, maar wel een grote eetlust
  • Veel drinken en plassen
  • Braken (vaak door snel eten) en diarree
  • Gedragsveranderingen zoals: hyperactiviteit, agressiviteit, veel miauwen, op andere plekken gaan slapen, vaak op koude ondergrond liggen
  • In sommige gevallen komen andere symptomen voor, die passen meer bij de apathische hyperthyreoïdie. Hierbij ontstaat minder eetlust, de kat wordt sloom en vertoont spierzwakte.

Doordat de stofwisseling op een hogere snelheid komt, moeten alle organen in het lichaam heel hard werken. Er kunnen ‘slijtage klachten’ ontstaan van andere organen. Denk maar eens aan het hart, deze moet veel sneller kloppen! De hartspier kan hierdoor verdikt raken en er kan een versnelde hartslag optreden met een hartruis.
Er kan een verhoogde bloeddruk ontstaan. Deze bloeddrukstijging kan complicaties geven in de vorm van oogproblemen, nierinsufficiëntie en/of hersenproblemen.
De nieren worden overbelast. De nieren zijn al gevoelig voor slijtage bij oudere katten, de extra belasting vormt een verhoogd risico op het ontstaan van nierfalen.
Ook de lever wordt belast door de verhoogde stofwisseling, we zien dan vaak een stijging van van de leverenzymen in het bloed. Bij behandeling van de schildklier normaliseert de lever vaak al snel.

Hoe stellen we de diagnose van een schildklierprobleem bij de kat?

Door middel van een bloedonderzoek kan de totale hoeveelheid schildklierhormoon (T4) worden bepaald. Wij adviseren om ook de nier- en leverwaarden te bepalen. Regelmatig controleren we ook de urine, dit geeft ons informatie over de nierfunctie.

Soms is een vergrote schildklier te voelen. We moeten dan alsnog een bloedonderzoek doen om de diagnose te bevestigen, omdat ook niet-productieve tumoren van de schildklier voorkomen.

Hoe behandelen we katten met een schildklierprobleem?

Er zijn verschillende behandelmogelijkheden hieronder weergegeven.

Medicamenteuze behandeling

De overproductie van schilklierhormoon kan geremd worden met behulp van medicijnen. Deze moeten dagelijks ingegeven worden voor de rest van hun leven. Het is geen kuur, dus als er een dag gemist wordt is het niet zo erg. Op die dag wordt het hormoon niet geremd en is de stofwisseling dus weer tijdelijk verhoogd. De dosering van het medicijn wordt in de loop van enkele weken bepaald met bloedcontroles en het klinisch beeld.
Als de kat niet meer afvalt en verder weer een normaal gedrag vertoont en de gemeten schildklierwaarde is weer normaal weten we dat we de juiste dosis medicatie geven.
De nadelen van de medicamenteuze behandeling is dat het geen blijvende genezing biedt. Verder kunnen katten bijwerkingen op de medicijnen vertonen. De belangrijkste zijn een slechte eetlust, huidproblemen, leverproblemen, beenmergdepressie (een verminderde aanmaak van bloedcellen) en de een verergering van nierfalen. Deze bijwerkingen zien we echter maar zelden bij katten.
Voor controle op deze bijwerkingen adviseren we 1 maand na het starten nogmaals een bloedcontrole te doen. Als de schildklierwaardes genormaliseerd zijn en de kat voelt zich weer goed doen we een eerste controle na drie maanden. Indien dan ook alles weer in orde is adviseren we iedere zes maanden een controle te doen. We controleren dan de bloedwaardes (schildklierhormoon, lever en nierwaardes), de bloeddruk en controleren het gewicht.

We gebruiken de medicatie ook regelmatig om katten te stabiliseren voor de volgende behandelmogelijkheden:

Chirurgische behandeling

De hyperactieve lob van de schildklier kan operatief verwijderd worden. Voordeel is dat er geen hormoon meer door de tumor geproduceerd kan worden. In 70% van de gevallen zijn beide schildklierlobben overactief en dienen beiden verwijderd te worden.
Nog een nadeel is dat heel dicht op beide schildklierlobben een ander orgaan ligt: de bijschildklier. De bijschildklier is enkele millimeters groot en heeft een belangrijke functie in de calciumhuishouding. Bij een operatie kan zelden de bijschildklier beschadigd of verwijderd worden, waardoor de hormoonproductie wegvalt van de bijschildklier. Dit is zeker bij beiderzijds verwijdering een risico. Na de operatie moet de calciumspiegel in het bloed dan ook worden gecontroleerd. Bij een calciumtekort moet dat behandeld worden met medicijnen, soms levenslang.

Het kan ook gebeuren dat er schildklierweefsel in de borstholte aanwezig is. Dit schildklierweefsel kan ook te veel hormoon aanmaken en dus een probleem zijn. Het veiligst is voor een operatie te beoordelen of een kat (overactief) schildklierweefsel in de borstholte heeft zitten. De enige manier om dit in beeld te brengen is door middel van een scan (scintigrafie).

Dieetvoeding

De overproductie van schildklier hormoon kan ook geremd worden met behulp van dieetvoeding. Dit moet dagelijks gegeven worden voor de rest van het leven. De werking van het dieet wordt in de loop van enkele weken bepaald met een bloedcontrole. Als de voeding de schildklier voldoende onderdrukt kan er na 3 maanden weer een controle plaatsvinden. Als opvolging van de behandeling adviseren wij elke 6 maanden een controle, waarbij we een lichamelijk onderzoek doen, het bloed controleren op de functie van lever, nieren en schildklier en we eventueel een bloeddrukmeting doen. Als de voeding niet blijkt te werken zullen we voor een andere therapie moeten kiezen.
De nadelen van de dieetvoeding is dat het geen blijvende genezing biedt en dat de kat geen ander eten mag krijgen. Katten die buiten dus prooidieren vangen en eten of katten die ook van anderen eten krijgen (zoals buren bijvoorbeeld) zullen niet goed reageren op deze behandeling.

Heeft uw kat mogelijk een schildklierprobleem of heeft u nog vragen na het lezen van deze informatie neem dan gerust contact met ons op. Wij helpen u graag! Tel. 0341 – 35 12 35

E-mailadres gezelschapsdieren

gezelschapsdieren@animalcare.nl

Maandag t/m donderdag 08:30 tot 19:30 uur
Vrijdag 08:30 tot 17:30 uur
Inloopspreekuur 13:30 tot 14:00 uur
Telefonisch spreekuur 13:30 tot 14:00 uur
Zaterdag inloopspreekuur 10:00 tot 12:00 uur

E-mailadres paard

paarden@animalcare.nl

Dierenartsen AnimalCare

info@animalcare.nl

E-mailadres landbouwdieren

veearts@animalcare.nl

Maandag t/m vrijdag 08:00 tot 17:00 uur
Telefonisch spreekuur 08:30 tot 09:00 uur
(voor gratis advies van een dierenarts)